Skip to content


Terugkeer van het Zeevarken

Terugkeer van het Zeevarken
VPRO Noorderlicht / 25 min /1995
Nadat de bruinvis voor de Nederlandse kust in de jaren vijftig haast verdwenen was, wordt hij nu steeds vaker gezien. Een opleving van de bruinvis. Of juist de zwanenzang?

English version

Posted in Televisie, VPRO Noorderlicht.


IS DAAR IEMAND ?!

ARTIKEL Haagsche Courant 16-05-1995
IS DAAR IEMAND ?!

Prof. W de Graaff:
“Het zou mij verbazen als er geen buitenaards leven bestaat”

“Snel vooruit naar één miljard jaar na Christus. Langs de kust van een oceaan van vloeibaar methaan, onder een ondoordringbaar oranje wolkendek, loopt een wezentje. Het stopt, bukt en vindt een klein diamanten schijfje. Beschermd onder het glimmende oppervlak staat in piepkleine lettertjes een boodschap. Afkomstig van de planeet Aarde.”

Aldus begon het blad New Scientist het bericht dat er binnenkort een boodschap aan buitenaardse wezens verstuurd zal worden. Een diamanten schijfje ter grootte van een rijksdaalder, met ingegraveerde lettertjes van een duizendste millimeter groot, wordt in 1997 met de Huygens ruimtesonde gelanceerd met bestemming Titan, een maan van Saturnus. Volgens plan zal het verkenningstoestel er in 2004 een zachte landing uitvoeren. Het kleinood aan boord van de sonde wacht dan als een soort poste restante totdat een ontvanger zich meldt. Maar zijn er wel ontvangers en zullen die zich ooit melden?

Emeritus hoogleraar Prof. Dr. W. de Graaff leidde vanaf 1961 het laboratorium voor ruimteonderzoek van de Universiteit Utrecht, waar met name onderzoek gedaan wordt naar ultraviolet- en Röntgenstraling van hemellichamen. Daarnaast heeft hij naar eigen schatting zo1n 500 lezingen gegeven over ruimtevaart, sterrenkunde en buitenaards leven. Dat laatste noemt hij “een pure liefhebberij”. Bij de amateur-astronomie vereniging Stichting De Koepel echter, waarvan De Graaff voorzitter is, oogst hij bewondering met de manier waarop hij wetenschappelijk denken combineert met een zeer open en tolerante houding tegenover het onbekende. Wat denkt iemand met zo1n reputatie over het plan om een boodschap van de aarde achter te laten op Titan?

De Graaff: “Er zijn wel meer van dat soort boodschappen verzonden. Ik herinner me dat ze in �74 met de nieuwe radiotelescoop van Arecibo op Puerto Rico drie minuten lang een morse boodschap verzonden hebben naar een sterrenstelsel dat 24.000 lichtjaar bij ons vandaan staat. (1 lichtjaar = de afstand die het licht met een snelheid van 300.000 km/sec in één jaar aflegt, dat is iets minder dan tien-duizend-miljard kilometer, jw). Als ze die boodschap daar inderdaad ontvangen, is dat over 24.000 jaar. Dan moeten ze daar wel radio ontvangen, en toevallig net die drie minuten hun antennes onze kant op gericht hebben èn het signaal als ‘intelligent’ herkennen. Dat is al aardig onwaarschijnlijk, maar stel dàt. Stel dan ook eens dat ze een boodschap terugsturen, dan bereikt die over nog eens 24.000 jaar de aarde. Dan zouden mensen op aarde er over zo1n vijftigduizend jaar aan moeten denken om hun radio1s af te stemmen op een eventueel antwoord van enkele minuten. Nee, dan is zo1n schijfje reëler. Dat is geen communicatie, alleen maar informatie.”
Het schijfje is ondermeer gericht aan intelligent leven dat zich mogelijk op Titan zou ontwikkelen. Maar volgens De Graaff is die aanname op z1n zachtst gezegd speculatief voor een maan met een atmosfeer bestaand uit stikstof en methaan en een gemiddelde temperatuur van ruim 170 °C onder nul. Bovendien zou voor het lezen en begrijpen van zo1n boodschap het leven op Titan een hoge graad van ontwikkeling bereikt moeten hebben en er is niets dat daar op wijst, integendeel. “Maar wie weet,” vervolgt hij met pretoogjes, “is er wel intelligent leven en krijgen we binnenkort de boodschap terug: ‘Hou je rotzooi bij je’.”
Ook Extra Terrestrials van buiten ons zonnestelsel die Titan zouden bezoeken lijken De Graaff geen erg waarschijnlijke optie: “Als je van buitenaf dit zonnestelsel binnenkomt, en je zou een beetje rond kunnen kijken, dan is Titan toch niet de eerste keuze om op te landen. Mòchten ze daar al toe beslissen, dan zouden ze op dat hele oppervlak toevallig net dat muntje moeten vinden dat wij er ooit neergelegd hebben. Ach, kom!”
Is het hele project dan een onwaarschijnlijk verhaal van een dolle ruimtekunstenaar? Wat kan de motivatie zijn om zo1n diamanten munt naar Titan te schieten als naar alle waarschijnlijkheid niemand ‘m ooit terug zal vinden? Prof de Graaff hoeft daar niet lang over te denken: “PR. Het spreekt tot de verbeelding van mensen, en daar moet je tegenwoordig wel op inspelen om geld voor je onderzoek te krijgen. Wetenschappelijk heeft zo1n boodschap de laagste prioriteit, maar het zorgt wel voor publiciteit. En de kosten zijn laag: zo1n honderdduizend gulden op een totaal budget van vijf miljard. 1/50 promille, dat is toch alleszins redelijk.”

NIET ALLEEN

Als je er over nadenkt is het onwaarschijnlijk dat er alleen op aarde leven zou zijn ontstaan. De zon is slechts één van de ruim honderd miljard sterren die de melkweg vormen en het heelal telt vele miljarden van dergelijke sterrenstelsels. Vanaf Gallileo heeft de wetenschap herhaaldelijk laten zien dat de aarde geen bevoorrechte plaats innneemt in het heelal, onze intuïtie ten spijt. Dus waarom zou dat wat betreft de ontwikkeling van leven wel zo zijn?
Alleen is het moment dat een intelligente levensvorm bestaat, die in staat is tekenen van leven te verzenden of te ontvangen, een zeer korte flits in het bestaan van een planeet. Het leven op aarde bijvoorbeeld heeft zich heel langzaam ontwikkeld. De mens bestaat op z’n best enkele miljoenen jaren terwijl de Aarde zo’n 4,5 miljard jaar oud is. De periode van het menselijk leven beslaat dus nog geen promille van de leeftijd van de Aarde. En pas sinds een paar eeuwen zijn we in staat om serieus te denken over, en onderzoek te doen naar onze plaats in het heelal. De periode dat er op aarde serieus over buitenaards leven gedacht kan worden, is dus nog geen tienmiljoenste deel van de leeftijd van ons zonnestelsel.
Bovendien is de tijd dat we tot zulke wetenschappelijke activiteiten in staat zijn naar alle waarschijnlijkheid beperkt, stelt De Graaff. “Want met onze technologische ontwikkeling zijn ook de mogelijkheden tot zelfdestructie toegenomen. Of zoals de Duitse astronoom Sebastian von Hoerner zei: ‘Ik hoop dat de groene mannetjes nog even wegblijven, want ik zou ze niet kunnen uitleggen hoe het kan dat we slim genoeg zijn om een atoombom te maken en tegelijk dom genoeg om het te doen ook.'”

De radio-astronoom Francis Drake heeft een formule opgesteld voor de kans dat er tegelijk met ons ook elders technologisch hoog ontwikkelde beschaving bestaan. Hij stelt daarvoor vier voorwaarden op en komt daarmee op een schatting van het aantal planeten waar gelijktijdig intelligent leven voorkomt.
De eerste voorwaarde is dat een geschikt zonnestelsel planeten moet hebben. De tweede voorwaarde is dat zo’n planeet levensvatbaar moet zijn. Als derde beperking gaat hij uit van een beperkte duur van zo’n technologische beschaving. Drake stelt die levensduur op 1000 jaar. Tenslotte moet zo’n buitenaardse cultuur in de tijd samenvallen met onze fase van ontwikkeling, want anders hebben wij de middelen en de kennis niet om iets van hen te vernemen. Met die aannames komt hij op een schatting van duizend plaatsen voor gelijktijdig intelligent leven binnen ons melkwegstelsel alleen.
Aangemoedigd door deze schatting zijn de Amerikanen in 1985 van start gegaan met het META-project (Mega channel Extra Terrestrial Assay) dat gericht luistert naar radiosignalen die wijzen op buitenaards leven.
De Graaff: “Ze luisteren op acht miljoen kanalen en analyseren die signalen op regelmaat. Periodieke signalen -zoals morseboodschappen- worden automatisch herkend. Verder is de gevoeligheid zo hoog dat ook gewone radio- en televisiesignalen vanaf een andere planeet ontdekt zouden worden. De Aarde zou zich voor META als een grote zoemende bijenkorf manifesteren. Desondanks is er in de afgelopen tien jaar nog niets gevonden wat op buitenaards leven wijst.”
Daaruit kan overigens niet geconcludeerd worden dat ‘er niets is’. De enige gevolgtrekking is dat er zich binnen een afstand van tien lichtjaar van de aarde geen beschavingen bevinden die van radiogolven gebruik maken in het onderzochte frequentiegebied.

ONBEREIKBAAR

Overtuigd als hij is van het bestaan ervan, gelooft De Graaff niet dat we ooit een teken van buitenaards leven zullen vernemen. Laat staan dat we er in contact mee zouden kunnen komen.
Door de eindigheid van de lichtsnelheid zijn radiosignalen honderden tot duizenden jaren onderweg, wat niet bevorderlijk is voor een sprankelende conversatie. We zijn dus puur door de afstand hermetisch gescheiden van eventuele andere beschavingen.
Dat is althans het beeld dat uit onze huidige wetenschappelijke kennis en inzichten naar voren komt. De Graaff wijst er echter op dat de wetenschap de waarheid niet in pacht heeft: “Ik kan nooit uitsluiten dat er morgen een wetenschappelijke ontdekking wordt gedaan die dit allemaal op z’n kop zet. Ik acht dat uiterst onwaarschijnlijk, maar ik kan het niet uitsluiten. Als ik één ding uit de ontwikkeling van de wetenschap geleerd heb, dan is het dat je ontzettend voorzichtig moet zijn met te zeggen dat iets niet kan. Je kunt alleen zeggen dat het volgens de huidige inzichten en de momenteel gehanteerde wetmatigheden niet zou kunnen.
Een voorbeeld: meteorieten. Nog maar een paar eeuwen geleden waren toonaangevende wetenschappers de stellige mening toegedaan dat stenen niet uit de lucht konden vallen. Stenen waren van de Aarde en kwamen niet uit de ruimte. Nu weten we dat ze daar soms wel vandaan komen en dat ze zeer bruikbaar zijn om meer te weten te komen over ondermeer de leeftijd van ons zonnestelsel. Je moet dus erg oppassen om van minder voor de hand liggende dingen te zeggen dat ze niet kunnen.”

De Graaff is een voorzichtige en vriendelijke man met een zeer open geest. Zelfs vragen over UFO1s beantwoordt hij rustig glimlachend: “Die verhalen hoor ik met belangstelling aan. Maar tot nu toe heeft nog niemand een voor mij acceptabel en overtuigend argument geleverd voor het bestaan van bemande buitenaardse ruimtevaartuigen. Dat neemt niet weg dat zo1n bewijs een gebeurtenis van het allergrootste belang zou zijn.”
Zijn blik dwaalt af naar de tuin achter z1n huis die tot een smal bos verwilderd is. De tolerantie en de fascinatie met het leven gaan blijkbaar verder dan z1n lezingen alleen. Het is even stil.
Dan, bedachtzaam: “Tekenen van buitenaards leven zouden me in zekere zin zelfs geruststellen. Hoog ontwikkelde beschavingen kunnen gemakkelijk ten gronde gaan aan hun eigen ontwikkeling. Tenzij ze een soort beveiliging ontwikkelen. Signalen van elders zouden betekenen dat men daar de kritische fase van zelfdestructie heeft doorgemaakt en overleefd. Helaas ontbreken zulke aanwijzingen tot op heden.”

copyright � Het Inzicht / Jos Wassink, 1995

Posted in Haagsche Courant.


Elektronische avonturen in museumland

ARTIKEL AV Magazine januari 1995

Elektronische avonturen in museumland

“tentoonstelling of CD-i, wat maakt het uit?”

“Laatst in een videotheek vraagt een man met z’n zoontje naar CD-i. Hadden ze van gehoord. Een man die ik niet in het museum verwacht. Die heeft wel wat anders aan z’n hoofd. Affijn, die baas laat ze wat CD-tjes zien en dan kiest dat jongetje ‘De Vliegende Hollander’. Kijk, dan horen ze daar thuis toch eens over de V.O.C. en over Batavia. En wie weet wat daarvan komt. Tentoonstelling of CD-i, het gaat er om dat je het gat naar het publiek overbrugt”
Aan het woord is conservator Leo Akveld van het Rotterdamse Maritiem Museum Prins Hendrik. Eind oktober had men daar een primeur: als eerste in Nederland presenteerde het museum de CD-i ‘De Vliegende Hollander’.
Het is niet de eerste media primeur van het Maritiem Museum. In november ’86 maakte het museum een beeldplaat met 26.000 foto’s van museumvoorwerpen. Met die plaat wilde het museum z’n bezoekers een kijkje gunnen in het depot. Ook voorwerpen die niet in het museum te zien waren, wilde men aan het publiek tonen. Daartoe werd de beeldplaat met foto’s gekoppeld aan een catalogussysteem. Naast de beschrijving op een computerscherm verscheen er een foto op een aparte videomonitor. Dat systeem is -enigszins aangepast- nog steeds in gebruik.
In de tussenliggende tijd is de informatie-technologie sterk ontwikkeld, maar hoe zit het met de toepassing ervan binnen musea?

Een kleine rondvraag leert dat verschillende Nederlandse musea inmiddels computers inzetten om hun publiek te informeren. Hoewel er geen officieel overzicht van bestaat, lijkt momenteel een klein dozijn musea interactieve presentaties te ontwikkelen. Onder hen het Kunstmuseum Boymans-van Beuningen, het Museon en natuurlijk het Maritiem Museum Prins Hendrik.
Ondanks grote verschillen in programma’s en apparatuur tekenen zich drie soorten toepassingen af: de electronische catalogus, de kiosk en de publiekstitel.

BEELDBANK

De electronische catalogus van het Maritiem Museum bevat naast 26.000 foto’s ook beschrijvingen van 13.000 voorwerpen. Oorspronkelijk werd het systeem in een speciale loge in de hal geplaatst. Dat werkte niet goed. Plaatsvervangend hoofd van de bibilotheek Brand: “Mensen kwamen naar ons toe om hun jassen af te geven en anderen dachten dat wij de bewaking waren.” De filosofie was om het systeem zo dicht mogelijk bij de bezoeker te brengen, maar alleen speciaal geïnteresseerden bleken baat te hebben bij zo’n uitgebreide catalogus. En die mensen weten ook de museumbibliotheek te kunnen vinden waar het systeem nu ondergebracht is. Volgens Brand wordt het systeem zo’n kleine honderd maal per week geraadpleegd. “We krijgen allerlei mensen: genealogisch geïnteresseerden, modelbouwers, scheepsbouwers, studenten en journalisten. Dat soort mensen komt over het algemeen ook vaker terug.”

Een dergelijk systeem draait sinds twee jaar ook in het Rotterdamse kunstmuseum Boymans-van Beuningen onder de naam Beeldbank. Deze catalogus bevat afbeeldingen èn beschrijvingen van de complete collectie Oude Schilderkunst: elfhonderd schilderijen van zeshonderd verschillende schilders. Ook hier wilde men in staat zijn om schilderijen uit het depot (tweederde deel van de collectie) aan het publiek te tonen. Net als bij het Maritiem Museum is de elektronische catalogus in een rustige werkomgeving geplaatst. In het publieksdepot tussen dicht opeengehangen schilderijen aan gaasrekken.
Bij de eerste aanraking van het scherm verschijnen de opties ‘Rondleidingen’, ‘Kunstenaarsbiografieën’, ‘Land en Tijd’, ‘Thema’s’, ‘Schilderijencatalogus’ en ‘Bediening van het publieksinformatiesysteem’. Na aantikken van ‘Schilderijen-catalogus’ verschijnt er een lijst van kunstenaars. De lijst loopt vanaf ‘Abels, Jacob’ tot ‘Bruegel de Oude, Pieter’. Een vingerstreek over Breughel en een nieuwe lijst verschijnt: schilderijen van Breugel waaronder ‘Toren van Babel, 1555’. Even aantippen en na enkele ogenblikken verschijnt het schilderij op de computermonitor met de vermelding ‘olieverf, paneel, 60 x 74,5 cm’. Naast het plaatje een halve pagina tekst: “Bruegel die Rome bezocht heeft, heeft voor de ‘Toren van Babel’ het Colosseum van het oude Rome als inspiratiebron gebruikt..”. Kijk, zo leer je nog eens wat. Maar …. is het plaatje eigenlijk wel helemaal scherp?
“De beeldkwaliteit is niet optimaal”, erkent Paul Teunissen die als kunsthistoricus bij de ontwikkeling van de Beeldbank betrokken was. “Veel plaatjes zijn van dia’s afkomstig. Die legden we dan onder een videocamera en van daaruit de computer in. Het beeld werd er door al die tussenstappen natuurlijk niet beter op. Maar toen kon dat niet anders.
Maar als dat zo gebrekkig ging, waarom dan niet voor beeldplaat gekozen, zoals het Maritiem Museum? Chris Will, educatief conservator van Boymans: “We hebben natuurlijk eerst ook gedacht aan beeldplaat, maar toen wij begonnen (in ’89) ontstond net de mogelijkheid om beelden in de computer op te slaan. En het voordeel daarvan is dat je beelden kunt toevoegen of vervangen. Sommige plaatjes zijn inmiddels vervangen door betere afbeeldingen.” Hij zoeft door wat menu’s en daar verschijnt een kraakhelder plaatje op het scherm. De techniek ontwikkelt zich snel.

Een electronische catalogus maakt gebruik van gegevens uit de museumregistratie zoals die door museummedewerkers geraadpleegd wordt. Maar de informatie voor het publiek verschilt van die voor de medewerkers. Ron Brand: “Het publiekssysteem is een uittreksel van het catalogussysteem. Bepaalde informatie zoals de plaats in het depot en de verzekerde waarde, staan er niet in.” Maar op sommige punten is de publieksinformatie juist uitgebreider dan het catalogussysteem. Zo schreef Paul Teunissen voor alle elfhonderd schilderijen beknopte achtergrondinformatie en voor alle zeshonderd kunstenaars korte biografieën.
Omdat een electronische catalogus voor studie- en researchdoeleinden gebruikt word, is volledigheid een vereiste. Maar dat betekent niet dat het hele museumbezit in de computer moet. Boymans-van Beuningen bijvoorbeeld heeft alleen de verzameling Oude Kunst ingevoerd omdat een Beeldbank van het hele museum niet haalbaar was.

KIOSK

De rol van een kiosk is heel anders dan die van een beeldbank. Is de catalogus in het leven geroepen om voorwerpen uit het depot te tonen, de kiosk geeft juist informatie over objecten uit de tentoonstelling. De kiosk geeft context en samenhang van geëxposeerde voorwerpen.
Een voorbeeld. De tijdelijke tentoonstelling ‘Spiegels van Tijd en Ruimte’ in het Haagse Museon toont batik-doeken uit het Javaanse district Tuban. In een hoek staat een computer die tot aanraken noodt. Een kaart van Java verschijnt, de computer zoomt in op een deelgebied. De volgende inzoom kiest de gebruiker: Noord, Oost, Zuid, West of Centrum. Een nieuw scherm verschijnt met een korte karakterisering van de regio. Icoontjes links onderin het scherm geven de volgende keus aan: een schouderdoek of een heupdoek. Na aanraken van het rechtersymbooltje verschijnt een een afbeelding van een doek die even verderop tentoongesteld is. Op de monitor staat een korte uitleg: “In het centrum van Keruk woont de verfster. Zij geeft de weefsels uit alle windrichtingen hun kleur. Wit, blauw en rood”. Onder het fotootje van de doek een symbool van een vergrootglas. Even aantippen en binnen een soort loupe is een detail van het doek zichtbaar. Rechts is te lezen: “de patronen op de doek verbeelden de sawa, het natte rijstveld”. En inderdaad zijn, met enige fantasie, natte slierten gewas te herkennen.
Beknopte achtergrond-informatie en samenhang geven zonder de aandacht af te leiden van de voorwerpen die de hoofdrol spelen. Dat lijkt de belangrijkste rol van een kiosk binnen een museum.

MUSEUM OP EEN SCHIJFJE

Terug naar de CD-i van het Maritiem Museum. Conservator Leo Akveld herinnert zich: “Philips wilde iets cultureels, WVC had geld klaarliggen voor iets innovatiefs en onze toenmalige directeur Koops had er wel oren naar.” Zo ging Akveld samen met regisseur Pier Tholen van Wigant Interactive Media eind ’92 aan de slag. “En omdat niemand precies wist wat het moest worden, kregen we carte-blanche.” Uiteindelijk namen ze de V.O.C. als onderwerp en een 18e-eeuwse reis vanaf Rotterdam via Batavia naar de rest van Azië als rode draad. De speler maakt die reis in een onderzeeboot waarin zich een studeerkamer en een controlekamer bevinden. In het ene vertrek kan de speler informatie opzoeken en in het andere op zoek gaan naar voorwerpen die op de zeebodem te vinden zijn. Zo werkt de CD-i op twee fronten: een spel voor de jeugd en informatie voor de ouderen.
Ook het museum Boymans-van Beuningen overweegt een schijfje uit te brengen. Een CD met drie- to vierhonderd topstukken uit de verschillende afdeling van het museum onder de werktitel: ‘The Best of..’. Hier telt de volledigheid niet, het gaat erom dat men buiten het museum een indruk krijgt wat er binnen te zien is. Het museum hoopt hiermee extra bezoekers te trekken.
Maar een publiekstitel op CD-i of CD-ROM kan ook een tentoonstelling overbodig maken. Zo overlegt Leo Akveld met musea in de landen rondom de Noordee. In die groep heeft hij het voorstel gedaan om in plaats van de geplande reizende tentoonstelling over de Noordzee een CD-i uit te brengen. “Dat scheelt een boel gesjouw”. Maar die authentiek uitstraling van de echte objecten dan? Akveld: “Ik ben zelf weldegelijk gevoelig voor die uitstraling van voorwerpen, maar de gemiddelde bezoeker kijkt daar anders tegenaan. De waarde van de voorwerpen wordt bepaald door de context, door het verhaal. En soms is dat verhaal belangrijker dan de voorwerpen. Kijk maar ‘ns hoeveel catalogi er verkocht worden aan mensen die de tentoonstelling nooit hebben bezocht.”

copyright � Het Inzicht / Jos Wassink, 1995

Posted in anders.


‘Multimedia’ doolhof voor musea

ARTIKEL Museumvisie 1993, nr. 3

“Media horen niet in musea. Ze maken herrie, leiden de aandacht af. De beelden zijn lelijk, je hebt er geen controle over en ze creëren opstoppingen. Als het perse moet, dan maar in de gang naast het toilet, maar niet op de zalen.” Zo opende Jean Marie Humbert (Musée du Louvre) provocerend het 2-jaarlijkse congres van de AVICOM (AV-tak van de International Counsel Of Museums) dat van 8 tot 12 juni 1993 gehouden werd in Pordenone, Italië. Het was aan de circa 40 deelnemers om in de volgende dagen voorbeelden aan te dragen van geslaagde media-toepassingen. Maar tussen droom en daad gaapte vaak een diepe kloof.

De informatie-dichtheid van de bijeenkomst was gering. Het congres duurde een week, maar veel voordrachten bleken weinig informatief of niet erg toegesneden op de doelgroep. De zaal veerde op als er een goed praktijkverhaal gebracht werd ter afwisseling van een reeks van promotionele voordrachten. Vaak had ik het gevoel naar weer een verkooppraatje te luisteren. Dat gebeurde meestal tijdens bijdragen van ondersteuningsburo’s in de informatica- of communicatie-sfeer. Navraag in het informele circuit bevestigde dat in een aantal gevallen de spreker inderdaad betaald had om een voordracht te mogen houden. Italiaanse toestanden, net wat u zegt. Wat overigens ook een verklaring kan zijn voor de buitengewoon passieve houding van de voorzitter wanneer een spreker zijn tijd ruimschoots overschreed. Geldgebrek zal waarschijnlijk ten grondslag liggen aan deze ‘infomercials’, want het congres was overigens goed georganiseerd: een goed maar te groot congrescentrum, uitstekende tolken-service e.d. Maar ik zou er de voorkeur aan gegeven hebben om het dubbele aan inschrijfgeld te betalen (nu Fl. 200,-) voor de helft van de tijd (nu een week) om intensief ervaringen te kunnen delen met collegae, want daar ging het toch om ?!

NIEUWE MEDIA

Nauwelijks hebben klassieke media als video en banddia, ondanks aanvankelijke reserves, een plaats gevonden binnen musea of ‘De Nieuwe Media’ dienen zich aan. ‘Multimedia’ en ‘De Nieuwe Media’ zijn woorden die lekker in de mond liggen en waarvan de betekenis derhalve vaak schuil gaat achter verbale rookgordijnen. Toch bleken de op het AVICOM-congres gepresenteerde plannen en pilot-projects wel enige gemeenschappelijke kenmerken te hebben; meestal ging het over een hypercard-achtige database. De beelddragers zijn verschillend; afwezig, beeldplaat of gecomprimeerd digitaal. De gebruikers zijn de ene keer alleen het museumpersoneel, een andere keer de bezoekers of ook wel beiden. De toegang is via werkstations, via bezoekers-terminals in de opstelling, via modem of via Viditel. De informatie heeft betrekking op de voorwerpen zelf; op achtergronden ervan; op de musea of op tentoonstellingensagenda’s.
Kortom, de mogelijkheden zijn onbeperkt, en dat lijkt tegelijkertijd het probleem. Want bij één van de weinige ècht gerealiseerde projecten, een voor publiek en personeel toegankelijke catalogus van 9000 voorwerpen uit de Inuït-verzameling van het Nationale Museum van Denemarken, bleek hoe gigantisch veel werk het is om alle informatie over de voorwerpen niet alleen in te voeren, maar ook te schrijven. Projectleidster Tina Wanning beschreef de computer als een ‘black hole’ voor alle moeizaam geschreven kopij.
Ook de heer Maggetto (Bassilichi Informatica, Florence) was het uit zijnruime ervaring met dergelijke projecten duidelijk geworden dat de invoer van informatie al snel problematisch wordt. Zijn visie: bij multimediale projecten zit de samensteller (Assemblage Artistico) als een spin in het web, en wordt terzijde gestaan door consultants (conservatoren en andere wetenschappers) en een taskforce (een bataljon typisten). Om de zelfstandigheid van musea bij dit soort projecten te vergroten wordt er, niet alleen bij Bassilchi, gewerkt aan een auteurstaal waarmee conservators hun eigen ‘multimediale’ presentaties kunnen samenstellen.

AMATEURISTISCH

Maar of museumpersoneel in staat is om met behulp van dergelijke hulpprogramma’s zelf aantrekkelijke presentaties samen te stellen, is twijfelachtig. Dat klinkt niet erg aardig, maar verreweg de meeste audiovisuals die getoond werden waren larmoyant amateuristisch. Slechte beeldkwaliteit, onrustige cameravoering, veel te lang, van begin tot eind volgepraat, keiharde muzak eronder … kortom, alle amateurfouten waren ruim vertegenwoordigd. Met die beelden nog vers in het hoofd lijkt het me uitermate onwaarschijnlijk dat een ingewikkelder medium (multimediale computer i.p.v. video) zal resulteren in betere programma’s. Eerder slechtere, ben ik bang.

Maar zelfs een goed programma is voor een museum geen eindprodukt. Het gaat uiteindelijk om de tentoonstelling waarvan het programma een onderdeel is. Marie Françoise Delval (Direction de Musées de France) diste uit haar 18-jarige ervaring enige voorbeelden op van wat er allemaal mis kan gaan (en gaat) bij de implementatie van audiovisuele programma’s in tentoonstellingen. Geluidsoverlast in de tentoonstelling of juist onverstaanbaar zacht; programma’s van tien minuten en langer maar geen stoel te bekennen; spots reflecteren in de monitor; apparatuur geeft teveel warmte af; niemand weet storingen te verhelpen; negeren van brandweervoorschriften in tijdelijke mini-theaters … Om maar eens wat te noemen. En op welk banaal niveau de implementatie soms al de mist in gaat, bleek toen ze bij toeval een geïnstalleerde overvloeiprojectie bezocht. De 2 projectoren projecteerden niet over elkaar, maar naast elkaar. Tijdens het programma keken de bezoekers dus steeds wisselend naar links en rechts. Delval: “Comme à Roland-Garros”.
Het lijkt er op dat alleen zeer doordachte media-toepassingen enige kans van slagen hebben binnen de museale context. Daarvan zijn gelukkig ook voorbeelden te vinden. Een veelbelovend project is bijvoorbeeld het nieuwe Musée Nationale d’Histoire Naturelle in Parijs. De structuur en functie van de audiovisuals is glashelder; in de tentoonstelling zijn er drie soorten video’s. De ‘surprises visuelles’: op opgehangen of ingegraven monitoren tussen opzette dieren in, zullen ook levende dieren te zien zijn (maximaal 30 seconden en stom). Daarnaast de ‘argumentaires’: 2 minuten durende video’s die korte aanvullende informatie verschaffen bij de tentoonstelling. En voor elk van de drie afdelingen van het museum tenslotte een langere film (6 à 10 minuten) die een samenvatting geeft van het thema van de doorlopen tentoonstelling. Naast deze video’s komen er beeldbanken (imagiciels) – met als hoofdthema de biodiversiteit- die door de bezoeker zelf te bedienen zijn als een uiterst toegankelijk plaatjesboek met achtergrondinformatie.
De functies van de audiovisuele opstellingen binnen deze context zijn divers en weldoordacht: illustratie; confrontatie; samenvatting en naslagwerk. Vanaf volgend voorjaar is in Parijs te beleven hoe dit concept werkt.

MICROSEX

Waarom proberen we het ondanks alles toch elke keer weer ?
Media en musea, bedoel ik. Een veelzijdige en verwarrende verhouding, die af en toe resultaten oplevert die onvergetelijke indruk maken. Soms werkt het. Maud Livrozet van La Villette, Parijs (inderdaad veel Fransen) presenteerde een hele reeks video-toepassingen binnen de Cité des Sciences et de l’Industrie. En de aardigste was gelijk de eenvoudigste: Microsex. Op een tentoonstelling over micro-organismen moest getoond worden hoe eencelligen zich voortplanten. Nu bestaan daar gewoon microscoop-opnamen van, afkomstig van wetenschappelijke instituten, maar dat soort filmpjes krijgt op een tentoonstelling geen moment de aandacht. Het wordt anders als je het filmpje van commentaar laat voorzien door een zeer zwoele vrouwestem; de monitor in een cabine onderbrengt en het hokje afschermt door een rood gordijn. Dan wordt het opeens DE attractie van de tentoonstelling.
Goede ideeën zijn vaak simpel.
Net als goede techniek overigens. Het lijkt erop dat de AV-wereld zich massaal het hoofd op hol laat brengen door de ‘onbegrensde mogelijkheden’ en de ‘duizelingwekkende perpectieven’ van De Nieuwe Media. Ook tijdens de AVICOM-conferentie was de meest gehoorde uitdrukking ‘Je Kunt’; Je Kunt vergroten en verkleinen; Je Kunt de plaatjes bijwerken; Je Kunt velden toevoegen; Je Kunt anders zoeken; Je Kunt ook geluid opslaan; Je Kunt …
Het zou de dialoog tussen AV-wereld en musea (of andere opdrachtgevers) goed doen als de talloze ‘Je Kunt’-s vervangen werden door ‘Wilt u’; ‘Bedoelt u’; ‘Meent u’; ‘Denkt u’; ‘Realiseert u zich’ … etcetera. En als inhoud en context eenmaal boven water zijn, dan is er altijd wel een geschikt medium voor te vinden. Zoals de vlot-gebekte Madame Hocquard (Ecole du Louvre) het samenvatte: “Technologie, c’est un moyen. Pas de contenu ? Pas de technologie !”.

copyright � Het Inzicht / Jos Wassink, 1993

Posted in anders.


De Waterkeverclub

VPRO Noorderlicht / 16 min /1993
Een bijeenkomst van (amateur) wetenschappers in Polen die waterkevers verzamelen en daar de historie van het gebied aan af kunnen lezen.


 

Posted in VPRO Noorderlicht.