{"id":1432,"date":"2011-10-13T20:11:07","date_gmt":"2011-10-13T20:11:07","guid":{"rendered":"http:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/?p=1432"},"modified":"2011-10-13T20:11:07","modified_gmt":"2011-10-13T20:11:07","slug":"op-zoek-naar-excellentie","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/?p=1432","title":{"rendered":"Op zoek naar excellentie"},"content":{"rendered":"<p><strong>Met het oog op een nieuw instellingsplan, de Roadmap 2020, streeft het college van bestuur naar wetenschappelijke excellentie. Maar hoe meet je die?<\/strong><\/p>\n<h2>Perverse prikkels<\/h2>\n<p>Alle meetbare criteria voor wetenschappelijke kwaliteit kunnen  makkelijk verworden tot perverse prikkels, stelt hoogleraar nanofysica  prof.dr.ir Leo Kouwenhoven (Technische Natuurwetenschappen): \u201cAls het  college van bestuur (cvb) stuurt op proefschriften, dan krijgt het  proefschriften.\u201d Ook al kunnen die soms heruitgaven zijn van  afstudeerverslagen op een kleiner formaat. Kouwenhoven vindt de  promotiepremies van 90 duizend euro per proefschrift \u201ceen mogelijk  mechanisme voor frauduleuze wetenschap\u201d. Hij legt uit hoe het werkt: als  je een commissie vindt die het verslag als proefschrift wil goedkeuren  dan kun je zo gemakkelijk proefschriften genereren. En ja, natuurlijk  gebeurt dat, zegt Kouwenhoven. Ook dichtbij.<!--more--><\/p>\n<p>Eenzelfde corrumperende werking heeft beoordeling op het aantal  publicaties. Als wetenschappers beoordeeld worden op het aantal  publicaties leidt dat tot \u2018papier produceren\u2019. Men gaat onderzoek  opdelen en verdunnen om het aantal publicaties omhoog te jagen. Het  aantal citaties zou een beter criterium zijn, maar ook dat kan een  ernstig vertekend beeld opleveren. Als iemand bijvoorbeeld een opvallend  fout stuk heeft geschreven leidt dat naderhand tot veel verwijzingen.  \u201cWilders wordt ook vaak geciteerd\u201d, licht Kouwenhoven toe.<\/p>\n<p>Kouwenhoven gelooft niet in meetbare criteria voor wetenschappelijke  excellentie. Toch, en dat is de paradox, weet iedereen in het  betreffende wetenschapsgebied wie er toe doen, wie de rising stars zijn  van een vakgebied. Kouwenhoven vertelt dat aan Amerikaanse  universiteiten onderzoekers ge\u00ebvalueerd worden door aan een tiental  collega\u2019s buiten de universiteit te vragen hoe ze de kandidaat inschalen  tussen andere onderzoekers. Die lijstjes vertonen vaak opvallende  gelijkenis, constateert de nanofysicus. Mensen weten dat door een  opvallend artikel, door voordrachten op congressen, door gesprekken met  anderen. Eigenlijk kunnen alleen de peers elkaar onderling beoordelen,  en dan heerst er vaak een behoorlijke consensus.<br \/>\nDaarom zijn volgens  Kouwenhoven wetenschappelijke prijzen zoals de NWO Veni-, Vidi- en  Vicibeurzen en de grants van de European Research Council (ERC) wel  goede indicaties van wetenschappelijke kwaliteit omdat ze door andere  wetenschappers worden toegekend.<\/p>\n<p>De beste manier om aan de TU excellent onderzoek te versterken ligt  volgens Kouwenhoven in de combinatie van geld en vertrouwen. Geen  onderzoek zonder geld, maar de geldschieter moet niet maandelijks een  rapportje vragen, of precies willen defini\u00ebren wat het onderzoek moet  opleveren. \u201cExcellente mensen laten zich niet voorschrijven wat te  doen\u201d, constateert hij droogjes. En dat is ook het probleem met het  innovatiebeleid dat zich richt op topsectoren. \u201cDaar bereik je geen iPad  of een echt innovatieve doorbraak mee.\u201d<\/p>\n<p>Zelf werkt Kouwenhoven met zijn vakgroep quantum transport in de  komende jaren aan een kantelpunt in het vakgebied: een landmark waardoor  onderzoekers anders over een onderwerp nadenken dan ervoor. Als dat  lukt, dan heb je volgens Kouwenhoven iets excellents neergezet.<\/p>\n<h2>Begin je eigen tijdschrift<\/h2>\n<p>Voor beoefenaars van technische wetenschappen is het lastiger om in  de grote wetenschapsbladen te publiceren dan hun meer fundamenteel  gerichte collega\u2019s. Toch zijn publicaties en citaties ook voor hen van  belang om aan te tonen dat ze meetellen in de wereld van de wetenschap.  Om aan dat dilemma te ontsnappen heeft hydroloog prof.dr.ir. Huub  Savenije (faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen) in 1995 een  eigen open access journal opgericht: het online tijdschrift \u2018Hydrology  and Earth System Sciences\u2019 (Hess). Trots vertelt Savenije dat de  \u2018impactfactor\u2019 vanaf 2000 gestegen is van 0,7 naar 2,46. De impactfactor  is een maat die het relatieve aanzien van een wetenschappelijk blad  aangeeft. Ze worden jaarlijks berekend en gepubliceerd door Thomson  Scientific \u2013 voorheen bekend als \u2018Institution for Scientific  Information\u2019 of ISI. Topbladen als \u2018Science\u2019 of \u2018Nature\u2019 hebben een  impactfactor van 30, \u2018Physical Review Letters\u2019 haalt 7 en meer  gespecialiseerde tijdschriften komen rond de 2,5 uit.<\/p>\n<p>Binnen het veld van hydrologische vaktijdschriften staat HESS nu  genoteerd als een van de meest gezaghebbende bladen. Naast de  mogelijkheid<br \/>\nvan peer-reviewed publicaties wijst Savenije nog op  andere verdiensten van een open access online journal. Het  beoordelingsproces is voor iedereen te zien en staat ook voor iedereen  open. En omdat de publicaties kosteloos volledig gelezen kunnen worden  is er een grotere verspreiding van kennis, vooral naar landen waar men  zich geen dure abonnementen kan veroorloven. Savenije raadt iedereen aan  om een eigen online peer-reviewed blad te beginnen op zijn of haar  deelgebied. Het is naar zijn idee de beste en meest open manier om de  wetenschappelijke dialoog te stimuleren.<br \/>\nPublicaties en citaties zijn  in de ogen van Savenije niet de enige kenmerken van wetenschappelijke  excellentie. Ook de hoeveelheid binnengehaald geld is een valide  maatstaf. Immers, als je onderzoeksgeld binnenhaalt van NWO of ERC  betekent dat erkenning van je werk en idee\u00ebn door de wetenschappelijke  collega\u2019s die over<br \/>\nde toekenning beslissen. Ook geld van andere  ministeries als buitenlandse zaken of economische zaken, landbouw en  innovatie ziet hij als wetenschappelijke erkenning. Immers: \u201cZonder goed  wetenschappelijk verhaal krijg je daar geen geld los.\u201d Een kanttekening  maakt hij bij geld vanuit het bedrijfsleven: \u201cHet moet geen consultancy  worden.\u201d Dat betekent dat onderzoek gericht behoort te zijn op  kennisverwerving die verder gaat dan het oplossen van een onmiddellijk  probleem, en dat het vraagstuk niet met de bestaande kennis op te lossen  is.<\/p>\n<p>Ook prijzen zijn wat Savenije betreft een valide criterium, omdat ze  een afspiegeling zijn van wat de wetenschappelijke collega\u2019s van je werk  vinden. Ook als de prijs niet-wetenschappelijk is (denk aan een lintje)  is dat nog wel een blijk van excellentie, aldus Savenije.<br \/>\nVan  afstudeerders als kwaliteitscriterium is Savenije minder overtuigd. Hij  heeft er zelf minder dan hij zou willen, maar hij heeft wel veel  promovendi onder zijn hoede. \u201cZijn promovendi niet een betere maatstaf  voor wetenschappelijke excellentie?\u201d vraagt hij zich af. Promovendi zijn  immers direct gekoppeld aan onderzoek binnen een vakgroep.<\/p>\n<h2>Blik op de toekomst<\/h2>\n<p>De herijking is een typische snoei-voor-bloei exercitie. Er moet op  jaarbasis 45 miljoen euro gekort worden. Vijftien miljoen om de kosten  terug te brengen en dertig miljoen voor versterking van kansrijk  onderzoek. Wat zijn volgens rector prof.dr.ir. Karel Luyben de criteria?<br \/>\nLuyben  gaat uit van maatschappelijke relevantie op de lange termijn. \u201cWat zijn  de vragen waar we over twintig tot veertig jaar mee bezig zijn? Dat is  een belangrijke termijn, want dan zitten onze studenten op posities waar  ze een verschil kunnen maken.\u201d<\/p>\n<p>Luyben noemt de energieproblematiek, de gezondheidszorg en de  milieuproblemen. Stuk voor stuk vraagstukken met technische, sociale en  maatschappelijke aspecten die de eerstkomende tijd niet zullen  verdwijnen. Niet geheel toevallig vallen de grote vraagstukken op lange  termijn goeddeels samen met de domeinen van de Delft Research  Initiatives. Voor Luyben vormen ze een richtsnoer bij het inrichten van  de universiteit van de toekomst. Hij legt uit hoe: \u201cJe begint met vast  te stellen wat je nodig hebt om de problemen van straks aan te pakken.  Daaruit leid je het onderzoek af, en uit het onderzoek volgen de  vereisten voor je masteropleiding. Daaruit volgt welke  bacheloropleidingen je nodig hebt en aan welke eisen instromende  scholieren moeten voldoen.\u201d Luyben is een uitgesproken voorstander van  selectie aan de poort. Liefst voor iedere opleiding.<\/p>\n<p>Het moment om onderzoek om te buigen in de richting van de relevante  thema\u2019s is volgens Luyben de aanstelling van een opvolger. Als voorbeeld  noemt hij het akoestiekonderzoek bij Technische Natuurwetenschappen,  dat tot nu toe vooral gericht was op olie-exploratie. Na het vertrek van  prof.dr.ir. Guus Berkhout zal het accent verschuiven naar echoscopie en  medische toepassingen van dezelfde formules en modellen.<\/p>\n<p>Daarmee is de vraag naar welk onderzoek het veld zal moeten ruimen  nog niet beantwoord. Natuurlijk ga je niet snijden in een goed lopende  afdeling, vindt Luyben. Ook staat vast dat er geen hele faculteit zal  worden opgeheven. Maar decanen zullen er niet onderuit komen om  afdelingen op te heffen. Wat zijn daarvoor dan de gronden? Luyben gaat  zelf geen oordeel vellen over de wetenschappelijke kwaliteit. \u201cDe  wetenschap beoordeelt zichzelf in de vorm van rankings en peer-reviews\u201d,  stelt hij. Wat hij wel zorgelijk vindt, is als de vaste kosten (vast  personeel, huur en energiekosten) groter zijn dan de eerste geldstroom.  Want zodra tweede en derde geldstroom verminderen, komt zo\u2019n afdeling in  de knel. \u201cDan moeten ze allerlei klussen aannemen voor de inkomsten. Is  dat onderzoek? Ik vind van niet. Ik vind alle contracten korter dan  drie tot zes maanden bedenkelijk. Ook vertrouwelijke opdrachten horen  eerder thuis bij TNO of een consultancy bureau dan aan de TU Delft.\u201d<\/p>\n<h2>Hoge waardering, lage scores<\/h2>\n<p>Bij de ontwerpfaculteit Bouwkunde bestaat er een grote kloof tussen  de lovende woorden die er over de faculteit gesproken worden en de  nagenoeg volledige onzichtbaarheid in gangbare wetenschappelijke  indicatoren als goede scores voor publicaties en citaties bij het ISI  (Institution for Scientific Information). Oud-rector prof.dr.ir. Jacob  Fokkema was destijds de eerste die de faculteit er op aansprak.  Onderzoeksdirecteur dr.ir. Franklin van der Hoeven ging ermee aan de  slag in het kader van een onderzoeksproject van het Rathenau Instituut:  \u2018Evaluating Research in Context\u2019 (Eric).<\/p>\n<p>Van der Hoeven vond dat de goede reputatie van Bouwkunde onder meer  gestoeld is op boeken die hoogleraren publiceren en op  tentoonstellingen. En hoewel dat voor architecten en stedenbouwkundigen  waardevolle media zijn, komen ze niet voor in de lijstjes van het ISI  zodat dergelijke activiteiten niet meetellen voor de wetenschappelijke  scores.<\/p>\n<p>Er is aan twee kanten gewerkt om de kloof tussen reputatie en scores  te dichten. Enerzijds pleit het Eric-project ervoor om bij de  beoordeling van ontwerp- en engineeringfaculteiten behalve de  wetenschappelijke kwaliteit ook de maatschappelijke relevantie mee te  laten tellen. Daarnaast is Van der Hoeven begonnen om een aantal  wetenschappelijke tijdschriften op het gebied van architectuur en  architectuurgeschiedenis op te laten nemen in de citatiedatabase Scopus \u2013  www.scopus.com; een tegenhanger van ISI met een nadrukkelijker accent  op kunsten en humaniora. Ook boeken die er vanuit Bouwkunde gepubliceerd  worden zouden in Scopus opgenomen moeten worden, net als het open  access tijdschrift dat Van der Hoeven wil gaan beginnen. Deelname aan  Scopus heeft volgens de onderzoeksdirecteur twee voordelen: het aantal  geregistreerde artikelen neemt toe en de namen van medewerkers duiken  vaker op in de resultaten van zoekacties binnen Scopus.<br \/>\nDat wat betreft het belang van publicaties en citaties als kenmerken voor wetenschappelijke excellentie.<\/p>\n<p>Ook geld van stakeholders (bouwbedrijven, beleggers, gemeenten,  provincies en gemeenten) is volgens Van der Hoeven een teken van  maatschappelijke relevantie van het onderzoek, en zou volgens de  uitkomst van het Eric-onderzoek dus moeten meetellen in de  kwaliteitsbeoordeling van een faculteit.<br \/>\nErkenning door collega\u2019s is  ook in de architectuur en stedenbouw een goede maatstaf, vindt Van der  Hoeven. Hoewel er wel iets vreemds mee aan de hand is. Voor architecten  is het hoogste blijk van waardering als een prestigieus blad een artikel  of beter, een editie aan je wijdt. Dat er over je geschreven wordt is  dus belangrijker dan wat je zelf schrijft, want dat laatste gebeurt  eigenlijk nauwelijks.<br \/>\nTot slot: waar mogen we Bouwkunde in 2020 op  afrekenen? Op een verwetenschappelijking van de architectuur, vindt Van  der Hoeven, en op wezenlijke bijdragen op het gebied van  energie-effici\u00ebnte, klimaatverandering en stedelijke ontwikkeling.<\/p>\n<h2>Er moet progressie zijn<\/h2>\n<p>De faculteit Techniek, Bestuur en Management (TBM) heeft net een  visitatie achter de rug, vertelt onderzoeksdirecteur prof.dr.ir. Paulien  Herder. Er heerst tevredenheid, want een van de vijf facultaire  onderzoeksprogramma\u2019s scoorde op alle vier onderdelen een 5, de hoogste  score.<\/p>\n<p>Op de vraag wat in dit vakgebied wetenschappelijke excellentie  betekent, zegt Herder dat er sprake moet zijn van kennisaccumulatie. Als  voorbeeld noemt ze het gebied van sociotechnisch systeemontwerp. Bij  een elektriciteitsnetwerk werden vroeger de elektrische infrastructuur  en de markt als het ware gescheiden ontworpen. Binnen de faculteit  werken ingenieurs en economen samen, omdat ontwerpbeslissingen in de  markt gevolgen hebben voor het ontwerp van het technische systeem en  omgekeerd. Die ge\u00efntegreerde aanpak leidt tot nieuwe  theorieontwikkeling. Vragen van de volgende generatie, zoals Herder ze  noemt.<\/p>\n<p>Publicaties en citaties noemt Herder de obvious beoordelingscriteria  die overigens alleen in een bepaalde context gebruikt kunnen worden. Zo  zit er vaak \u2018zachte informatie\u2019 achter de ogenschijnlijk harde ISI-data.  Zoals dat het een tijd duurt voordat je in een nieuw vakgebied citaties  op kunt bouwen.<\/p>\n<p>Wie goed zichtbaar wil blijven in een wereld die beoordeeld wordt met  ISI-scores doet er goed aan om deel te nemen aan initiatieven om open  acces peer-reviewed journals te beginnen. TBM doet dat onder andere  samen met andere faculteiten op het gebied van engineering systems in  het samenwerkingsverband Cesun (Council of Engineering Systems  Universities). Het MIT, als medeoprichter, maakt daar deel van uit, net  als een grote peer group van Amerikaanse, Europese, en Aziatische  universiteiten.<br \/>\nGeld is een kwaliteitscriterium als de fondsen  afkomstig zijn van NWO of EU, vindt Herder. Als die je onderzoek  ondersteunen betekent het dat je aan de wetenschappelijke top staat.<\/p>\n<p>Het aantal studenten of afstudeerders vindt Herder minder belangrijk dan hoe de alumni in de maatschappij terechtkomen.<br \/>\nOp  de vraag of toegekende prijzen een maatstaf vormen voor kwaliteit  antwoordt Herder volmondig ja. Simpel: de beoordeling van iemands werk  is aan zijn wetenschappelijke \u2018peers\u2019. Als zij vinden dat je de beste  bent, dan is dat ook zo. Een duidelijker indicator kun je je niet  wensen.<br \/>\nVoor 2020 heeft Herder als ambitie dat TBM in Delft het  Europese zwaartepunt moet zijn van het vakgebied engineering systems.  Daarvoor moet de positie van sociotechnisch onderzoek verder uitgebouwd  worden. Herder: \u201cAls tegen die tijd professoren massaal hier hun  sabbatical willen doorbrengen, dan hebben we het goed gedaan.\u201d<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Met het oog op een nieuw instellingsplan, de Roadmap 2020, streeft het college van bestuur naar wetenschappelijke excellentie. Maar hoe meet je die? Perverse prikkels Alle meetbare criteria voor wetenschappelijke kwaliteit kunnen makkelijk verworden tot perverse prikkels, stelt hoogleraar nanofysica prof.dr.ir Leo Kouwenhoven (Technische Natuurwetenschappen): \u201cAls het college van bestuur (cvb) stuurt op proefschriften, dan [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[5,24],"tags":[175,171,172,176,174,173],"class_list":["post-1432","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry","category-artikelen","category-delta","tag-citaties","tag-kwaliteit","tag-onderzoek","tag-peers","tag-publicaties","tag-wetenschap"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1432","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1432"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1432\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1433,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1432\/revisions\/1433"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1432"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1432"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1432"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}