{"id":1379,"date":"2011-06-30T20:31:59","date_gmt":"2011-06-30T20:31:59","guid":{"rendered":"http:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/?p=1379"},"modified":"2011-07-10T20:34:51","modified_gmt":"2011-07-10T20:34:51","slug":"dat-gaat-heel-krachtig-worden","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/?p=1379","title":{"rendered":"&#8216;Dat gaat heel krachtig worden&#8217;"},"content":{"rendered":"<p><strong>Prof.dr.ir. Boudewijn Lelieveldt kreeg met ingang van 1 maart een  dubbelaanstelling aan de TU en aan het LUMC. \u201cEen medical-delta-achtige  constructie\u201d noemt hij dat. Hoe gaat Lelieveldt bruggen slaan tussen  ingenieurs en medici?<\/strong><\/p>\n<p><em><strong>Wie is Boudewijn Lelieveldt?<br \/>\n<\/strong><br \/>\nProf.dr.ir.  Boudewijn Lelieveldt is sinds 1 maart hoogleraar biomedical imaging &#8211;  zowel in Delft (faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica) als  bij de afdeling radiologie van het LUMC. Daar is hij de opvolger van  prof.dr.ir. Hans Reiber die daar eerder een bekend aanspreekpunt voor  Medical Delta was.<\/p>\n<p>Lelieveldt studeerde werktuigbouwkunde in  Delft, en kwam voor zijn promotie in Leiden terecht bij het Laboratorium  voor Klinische en Experimentele Beeldverwerking (LKEB). In 2001 ontving  hij van NWO een vidi-subsidie voor de verbetering van  MRI-analysetechnieken voor de cardiologie.<\/p>\n<p>Lelieveldt heeft zich  gespecialiseerd in het samenvoegen van verschillende beeldbronnen.  Meestal gaat het daarbij om grote hoeveelheden data van verschillende  typen medische scanners. Ook werkt hij aan de automatisering van de  verwerking van de data.<\/em><\/p>\n<p><em>Naast uw aanstelling als  hoogleraar in Delft hebt u een aanstelling in Leiden gekregen. Hoe  belangrijk is die dubbelaanstelling voor u?<\/em><br \/>\n\u201cDie is erg  belangrijk. Ik ben sinds 2006 werkzaam als universitair hoofddocent in  zowel Leiden als Delft. Ik zit in een medical delta-achtige aanstelling.  Dat heeft legio voordelen. Vanuit het ziekenhuis willen we technische  studenten interesseren om in het LUMC afstudeerwerk te doen. Vanuit de  andere kant is het ook nuttig omdat goed technisch-geneeskundig  onderzoek geworteld moet zijn in een klinische praktijkomgeving.\u201d<!--more--><\/p>\n<p><em>U  loopt in twee verschillende culturen rond. Kunt u de verschillen  schetsen in de benadering van een medicus en een ingenieur?<\/em><br \/>\n\u201cDat  is lastig te zeggen. De ingenieur pakt een probleem en gaat er een  mooie oplossing voor zoeken. Het is belangrijk dat te blijven doen in  contact met de medicus en de eindgebruiker. Anders kom je met mooie  oplossingen waar grof gezegd &#8216;niemand op zit te wachten&#8217;. Aan de andere  kant ziet een medicus ook vaak niet dat er achter een knopje op de  scanner een heel traject van technisch onderzoek en ontwikkeling  schuilgaat. Aan twee kanten is het belangrijk om een bewustzijn te  hebben van elkaars verdiensten, en een erkenning dat het anders werkt.\u201d<\/p>\n<p><em>Wat  werkt anders?<\/em><br \/>\n\u201cKlinisch onderzoek werkt anders dan technisch  onderzoek. Klinisch onderzoek is vaak gerelateerd aan hypotheses die uit  de levenswetenschappen komen. Dan ga je daar pati\u00ebnten bij verzamelen  om aan te tonen dat het inderdaad zo is dat groep A een hogere factor X  heeft dan groep B.\u201d<\/p>\n<p><em>En dan moet je een heleboel pati\u00ebnten  hebben om er statistiek op los te laten?<\/em><br \/>\n\u201cPrecies, en dan kun je  op basis daarvan de hypothese toetsen. Bij ons laboratorium is het toch  vaak de ingenieurswetenschap: je hebt een probleem dat nog nooit iemand  heeft opgelost, hoe gaan wij dat technisch vernieuwend aanpakken? Dat  betekent dat een promovendus eerst twee jaar aan de tekentafel zit en  iets aan het ontwikkelen is en pas de laatste twee jaar daarover kan  gaan publiceren.<\/p>\n<p><em>Gaat een medisch artikel sneller?<\/em><br \/>\n\u201cNiet  altijd. Maar als de pati\u00ebntdata er eenmaal zijn, en dat kan ook een  investering van jaren zijn, kan het ineens heel snel gaan.\u201d<\/p>\n<p><em>U  pendelt tussen die werelden heen en weer, ziet nieuwe dingen en denkt:  h\u00e9, misschien kan ik dat aan de andere kant gebruiken?<\/em><br \/>\n\u201cJa,  verbanden leggen, proberen disciplines te overbruggen, gezamenlijke  aanvragen schrijven. We hebben een heel mooi project met de groep van  prof.dr. Jenny Dankelmann (biomechanical engineering, 3mE, red). Dat  gaat over fluorescentietechnieken bij chirurgie om kanker zichtbaar te  maken tijdens een operatie. Dat project loopt samen met de afdelingen  chirurgie en endocrinologie (medisch specialisme betreffende klieren en  hormonen, red.) van het LUMC en andere universiteiten in Nederland. Dat  heeft echt een meerwaarde omdat clinici en technici nauw samenwerken.  Allerlei technieken in dat consortium worden hier vrij snel opgepikt en  gebruikt in de operatiekamer.\u201d<\/p>\n<p><em>Dat moet bevredigend werken om  te zien dat technieken zo snel gebruikt worden.<\/em><br \/>\n\u201cZeker. Ik noem  er nu een, maar ik heb ook een paar fantastische projecten gedaan met  dr.ir. Charl Botha en dr.ir. Emile Hendriks bij EWI en met prof.dr.ir.  Marcel Reinders van de afdeling bio-informatica (EWI). Een heleboel  verschillende dingen hebben we nu opgestart waarbij telkens onderzoekers  uit Delft betrokken zijn en onderzoekers uit Leiden.\u201d<\/p>\n<p><em>Co\u00f6rdineert  u dat allemaal of beginnen ze elkaar spontaan te vinden?<\/em><br \/>\n\u201cZe  weten elkaar steeds beter te vinden. Maar het is ook afhankelijk van  waar de subsidiemogelijkheden liggen en of er toevallig iemand een  interessante en goed passende projectvraag heeft.\u201d<\/p>\n<p><em>Nog even  over uw achtergrond. U staat er bekend om dat u zich bezighoudt met  digitale beeldbewerking en beeldherkenning. Ik zag dat u  werktuigbouwkunde heeft gestudeerd, dus ik dacht: hoe sluit dat aan?<\/em><br \/>\n\u201cProf.dr.  Frans van der Helm was mijn afstudeerbegeleider. De studie die ik heb  gedaan zou je nu biomedical engineering noemen. Ik voelde me  aangetrokken tot de meer medische vakken die ze daar gaven. Je kon er  het vak fysiologie volgen, medische regeltechniek en biomechanica. Voor  afstudeerwerk heb ik met MRI gekeken hoe de schouder in elkaar zat. Die  link tussen biomechanica en schouderplaatjes is het begin geweest.\u201d<\/p>\n<p><em>En  ook al die dataverwerking uit de scanner?<\/em><br \/>\n\u201cJa. Ik studeerde af  in 1994 en toen kwam er hier net een vacature voor een aio met  vergelijkbare expertise op beeldgebied als die ik had opgedaan in Delft.  Dat is eigenlijk het begin geweest.<\/p>\n<p><em>In 2001 kreeg u een  vidi-beurs, waar is die aan besteed?<\/em><br \/>\n\u201cAan het samenbrengen van  informatie van cardiale pati\u00ebntenscans. Het was een NWO-beurs uit de  medische wetenschappen. MRI werd toen gezien als een Zwitsers zakmes  voor de cardiale beeldvorming. Je kunt er inderdaad van alles mee  afbeelden, maar je moet nog wel die informatie op een zinvolle manier  met elkaar verbinden. Ik zag dat er veel beelden verzameld werden die op  een heel ineffici\u00ebnte manier geanalyseerd werden. Een pati\u00ebntenscan  bestaat uit wel tien deelscans, die behandeld werden alsof het  losstaande dingen waren terwijl je naar hetzelfde object zit te kijken,  alleen naar een ander aspect ervan. Ik heb geprobeerd om eerst die  puzzelstukjes in elkaar te schuiven en pas dan de analyse en de  combinatie van informatie gaan doen. Daar zijn we redelijk in geslaagd  denk ik, hoewel het nog lang niet af is. We hebben er vijf jaar aan  gewerkt, we werken er eigenlijk nog steeds aan en het begint nu wel  ergens op te lijken.\u201d<\/p>\n<p><em>Ik lees ook over patroonherkenning en  over automatische analyse van medische beelden. Gaat de computer als  radioloog optreden?<\/em><br \/>\n\u201cNiet als vervanger voor de radioloog, maar  het gaat meer om de voorfiltering, voor het aangeven, desnoods met een  pijltje, van plekken waar iets raars zou kunnen zitten. Het beste werkt  overigens in computer aided diagnosis is als de arts een gebied aanwijst  en de computer dan aangeeft of het normaal of abnormaal is.\u201d<\/p>\n<p><em>Waarom  werkt dat het beste?<\/em><br \/>\n\u201cJe biedt niet alle informatie tegelijk  aan. Dat is het belangrijkste.\u201d<\/p>\n<p><em>Je biedt alleen aan waar de  arts om vraagt.<\/em><br \/>\n\u201cPrecies. Bij CAD is men aan de voorzichtige  kant, zodat de computer &#8216;te veel&#8217; hypotheses formuleert bij een plaatje.  Maar je wilt niet dat een arts door al die dingen heen moet scrollen om  te kijken of er echt wat aan de hand is. Dat geeft een bepaalde  ineffici\u00ebntie. De manier waarop zo&#8217;n CAD-systeem de informatie  presenteert kan heel belangrijk zijn. Het is niet alleen dat we willen  wijzen op een vlekje. Maar om kwantitatieve metingen te kunnen doen  vanuit een plaatje moet je vaak de contouren hebben. Alleen bij sommige  datasets gaat het om duizend contouren voordat je het volume van het  hart kunt berekenen over de hartslag. Wij hebben een programma  ontwikkeld waarmee de computer al die contouren vindt, waarna de arts  aan de hand van een filmpje kan beoordelen of de contouren correct zijn  aangebracht.\u201d<\/p>\n<p><em>Gaat dat ook in samenwerking met de industrie,  want ik kan me voorstellen dat zoiets een nuttige optie vormt op een  scanner.<\/em><br \/>\n\u201cWe zijn goede klant bij STW, dat betekent per  definitie dat je een industri\u00eble partner bij de aanvraag betrekt, maar  we hebben ook projecten via Economische Zaken met bedrijfsconsortia. Er  is veel industri\u00eble belangstelling voor een aantal zaken die bij ons  ontwikkeld worden.\u201d<\/p>\n<p><em>Een beginnend hoogleraar stelt zich vaak  heldere doelen. Wat zijn die bij u?<\/em><br \/>\n\u201cIn zie een grote toekomst  voor de combinatie van specifieke moleculaire markers en specifieke  hardware om die te detecteren. Je voegt dan een stofje toe dat alleen  maar aan tumorcellen hecht waardoor je ze met een camera terug kunt  vinden. Dat bestaat al een tijd in onderzoekslaboratoria, maar ik zie  dat het nu in de pati\u00ebntenzorg ook toe begint te nemen.\u201d<\/p>\n<p><em>Ook  in de operatiekamer? Dat het licht uitgaat en je kijkt waar de  lichtgevende tumor zit?<\/em><br \/>\n\u201cEen van de toepassingen hier is bij  borstkanker. Daarbij gaan ze op zoek naar de dichtstbijzijnde lymfeklier  waarmee de tumor in verbinding staat. Nu gaat dat met een nucleair  stofje dat ze in de tumor spuiten. Met een grote geigerteller luisteren  ze dan tikjes om te zien of de lymfeklier ook radioactief wordt. Daar  wordt dan gezocht naar de lymfeknoop. Door de nieuwe techniek met  fluorescerend groen kun je de lymfeknoop gewoon zien op een infrarood  camera. Dan kun je &#8216;m veel makkelijker verwijderen. Dat soort technieken  met een probe die je kunt opmerken in de operatiekamer in combinatie  met speciale hardware, ik denk dat dat heel krachtig gaat worden.<\/p>\n<p><em>En  in Delft?<\/em><br \/>\n\u201cIn Delft wil ik graag een aantal lopende onderzoeken  versterken zoals de bio-informatica, visualisatie en computer vision.  Heel vaak zie je daar oplossingen opduiken voor problemen in het LUMC,  maar niemand weet van het bestaan. Mijn tak van onderzoek is de  ontwikkeling van die soort technologie\u00ebn. Ik voel me goed thuis in de  Delftse groep en ik probeer met een militaire discipline vast te houden  aan de ene dag in de week dat ik daar ben. De beste idee\u00ebn komen tijdens  de koffie op de elfde en twaalfde verdieping en dat krijg je alleen  maar als je daar met grote regelmaat komt.\u201d<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Prof.dr.ir. Boudewijn Lelieveldt kreeg met ingang van 1 maart een dubbelaanstelling aan de TU en aan het LUMC. \u201cEen medical-delta-achtige constructie\u201d noemt hij dat. Hoe gaat Lelieveldt bruggen slaan tussen ingenieurs en medici? Wie is Boudewijn Lelieveldt? Prof.dr.ir. Boudewijn Lelieveldt is sinds 1 maart hoogleraar biomedical imaging &#8211; zowel in Delft (faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[5,24],"tags":[144,103,143,145],"class_list":["post-1379","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry","category-artikelen","category-delta","tag-imaging","tag-interview","tag-lelieveldt","tag-medische-beeldtechniek"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1379","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1379"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1379\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1380,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1379\/revisions\/1380"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1379"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1379"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.joswassink.nl\/inzicht\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1379"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}